De MPA is in 2003 als 1e post executive master in Europa geaccrediteerd door de European Association for Public Administration Accreditation (EAPAA). In 2010 is de accreditatie van de MPA door de EAPAA gecontinueerd. De EAPAA is sinds 1 januari 2008 door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) geplaatst op de VBI-lijst als Visiterende en Beoordelende Instatie (VBI). De EAPAA voldoet derhalve aan de criteria van de NVAO om visitaties uit te voeren.
Groeien in een veranderende context
De bijzondere aard van de publieke sector en de veranderende context van publieke organisaties heeft consequenties voor de manier waarop professionals in hun rol kunnen groeien. Wanneer het uitgangspunt is dat publieke organisaties bijzondere organisaties zijn, met bijzondere doelstellingen, gebonden aan bijzondere normen, en zich daardoor wezenlijk onderscheiden van marktorganisaties, dan dient een Masteropleiding voor de publieke sector uitgebreid aandacht te besteden aan deze unieke karakteristieken. Wij koesteren dan ook de diepe overtuiging dat de aard van de publieke sector om een specifiek opleidingsaanbod vraagt. Wij zijn van mening dat persoonlijke ontwikkeling van publieke professionals van groot belang is en altijd in het teken dient te staan van het effectief verstaan en intelligent reageren op uitzonderlijk ingewikkelde maatschappelijke vraagstukken. Bijzonder is dat daarbij de legitimiteit van de overheid als democratische institutie altijd aan de orde is. Dit vergt een bijzonder soort Masteropleiding, toegespitst op de eigenheid van de publieke sector.
De ontwikkeling van publieke professionals is er volgens ons op gericht om organisaties effectiever te laten optreden bij het oplossen van complexe vraagstukken op het gebied van beleid en management. Deelnemers ontwikkelen zich van specialist tot generalist, leren conceptueel denken en kunnen zich mede hierdoor snel inwerken in nieuwe onderwerpen. Zij leren bestuurlijke processen te doorgronden en hierin beter te functioneren. Ze bewegen zich gemakkelijker in het spel van politiekambtelijke verhoudingen, in veranderende, dynamische omgevingen en in ingewikkelde beleidscontexten. Daarnaast maken de deelnemers zich een variëteit aan vaardigheden eigen, welke ze leren gericht in te zetten. Het netwerk dat deelnemers opdoen is van belang voor hun verdere ontwikkeling. Tenslotte leren deelnemers te reflecteren op hun eigen gedrag en op hun omgeving. Dit maakt het leerproces in principe continu en doorgaans, ook nadat de bul is behaald. Deelnemers leren niet alleen ‘iets’: ze veranderen en ontwikkelen zich. Een top-Masteropleiding is in die zin geen cursus, maar werkt vormend.
Competenties voor topprofessionals
Binnen de veranderende context zijn wij van mening dat een publieke professional zich in een aantal competenties en expertisegebieden zou moeten bekwamen. De kern is daarbij dat wij het essentieel achten dat de publieke topprofessionals van nu en straks enerzijds in persoonlijk opzicht robuust en reflectief zijn, en dat zij anderzijds in inhoudelijk opzicht ‘bij’ en ‘boven’ de grote vraagstukken waar het openbaar bestuur zich voor gesteld ziet zijn. Hierbij hoort dat zij kunnen redeneren met gedegen kennis van de manieren waarop in binnen- en buitenland al is, of wordt geprobeerd om die vraagstukken op te lossen. Daarnaast vinden wij het van groot belang dat de publieke professionals zich realiseren dat de eigen organisatie niet het centrum van de wereld is en dat er andere werelden zijn waarmee de deelnemers indringend moeten kennismaken. We denken dan vooral aan de wereld van uitvoering en toezicht, de wereld van ‘multi-level governance’ (zowel subnationaal als supranationaal) en de wereld buiten het openbaar bestuur, burgers en bedrijven, de maatschappelijke omgeving.
Vanuit deze veronderstellingen zijn wij van mening dat publieke professionals over de volgende kennis, vaardigheden en competenties zouden moeten beschikken en dat een Masteropleiding voor de publieke sector de ontwikkeling hiervan zou moeten ondersteunen:
- Inzicht in politiek-bestuurlijke processen;
- Inzicht in doorwerking van politieke rationaliteit in publieke werkorganisaties. Het kunnen doorzien van de politieke rationaliteit als verschillend van een functionele rationaliteit;
- Inzicht in organisatiedynamiek en groepsprocessen, zowel in de functioneel-rationele kant als in de sociale dynamiek van organisatieprocessen;
- Inzicht in het eigen handelingsrepertoire en in de effectiviteit ervan, enerzijds op het niveau van de ‘skills’ en anderzijds op het niveau van het ‘self’;
- Inzicht in maatschappelijke dynamiek, kennis van de belangrijkste maatschappelijke vraagstukken en de daaruit volgende bijzonderheid van het publieke domein. Enerzijds de concrete gevolgen van de moderniteit, anderzijds de verschijningsvormen van de postmoderniteit;
- Inzicht in en kennis van de belangrijkste processen van Internationalisering, primair de betekenis van de Europese integratie en institutievorming;
- Inzicht in sturing door de overheid, en in de beperkingen daarvan. Dit betekent kennis van en inzicht in directe sturing, maar ook van indirecte, procesmatige sturing;
- Inzicht in de doorwerking, mogelijkheden en beperkingen van systemen van prestatiemeting en ‘performance management’, op het niveau van het ontwerp van dergelijke systemen, maar het eigen functioneren binnen een dergelijk systeem;
- Inzicht en kennis in de beginselen van enkele belangrijke ondersteunende academische disciplines, zoals het recht en economische wetenschap.
Vereisten voor een leeromgeving
Het ontwikkelen van dit type competenties vergt een bijzonder soort leeromgeving, waarin we weg bewegen van de klassieke schoolse omgeving – waartoe we ook het reguliere academische onderwijs rekenen – en een omgeving bouwen waarin niet het aanbod vanuit de opleiding maar de leerbehoefte centraal staat. Datgene dat opleidingsinstituten en universiteiten nu vaak tot het hart van opleidingen rekenen behoort dan ‘slechts’ tot de eerste vereisten: de ‘state of the art’ van kennis op uiteenlopende vakgebieden moet voor de deelnemers beschikbaar zijn. Het gaat daarbij om functionele kennis en technische kennis of expertise anderzijds. Wanneer deelnemers spreken over ICT of outsourcing, dan moet daarover de meest actuele kennis direct beschikbaar, of ‘at arms length’ aanwezig zijn.
De kern van de leeromgeving ligt volgens ons in het didactisch concept van het leertraject én in de manier waarop dat concept is uitgewerkt. Een mooie programmaformule bedenken is één ding, een programma daadwerkelijk vullen met hoogwaardige docenten die de formule concreet inhoud kunnen geven, is een andere opgave. Volgens ons moet een programma drie typen docenten omvatten:
- docenten die nationaal tot de bestuurskundige en sociaal-wetenschappelijke top behoren;
- gereputeerde buitenlandse wetenschappers en deskundigen;
- ‘reflective practitioners’, die langjarige ervaring in de publieke sector hebben en deze ook kunnen overdragen.
Op basis hiervan zou de leeromgeving er ongeveer als volgt uit moeten zien.
Allereerst moet de deelnemer in staat gesteld worden om de eigen context te problematiseren, op eigen ervaringen te reflecteren en met nieuwe handelingsrepertoires te experimenteren. Hierin staat het individu centraal, maar staat het individu zeker niet alleen. Reflectie vergt interactie met anderen, die in gelijksoortige leersituaties verkeren. Verscheidenheid is hierbij een deugd, omdat het gaat om de verrijking van de perspectieven. Niet het programma-aanbod, maar de groep bepaalt het uiteindelijke resultaat. Wij hechten er daarom zeer aan dat de leergroep een gemengde achtergrond heeft, bijvoorbeeld afkomstig is vanuit verschillende onderdelen van de publieke sector, met een mix van functies.
Daarnaast is binnen het didactisch concept een visie op de verbinding tussen theoretische kennis, praktische kennis en de eigen praktijkervaring van deelnemers noodzakelijk. Deze verschillende soorten kennis, expertise en ervaring zijn niet vanzelfsprekend synergetisch. Hiertoe zijn werkvormen nodig, die verder gaan dan af en toe een werkcollege of periodiek een toepassingsdag. En niet elke ervaring van elke practitioner is voor het leerproces relevant, of heeft generaliseerbare waarde. Op dezelfde manier is niet elk theoretisch concept of academisch werk voor de professional relevant. De verbinding van theorie en praktijk vergt dan ook een doordachte programmaopzet, met uitgekiende en beproefde werkvormen en een corps van docenten en practitioners dat in staat is om tussen niveaus en disciplines te schakelen.
Als derde is er volgens ons nog een op het eerste gezicht wat vreemde spanning aan de orde. Wij menen dat een intensief leertraject spannend moet zijn. Het moet op momenten ‘botsen’ met wat deelnemers voor waar aannemen, met datgene waarbij ze zich gemakkelijk voelen. We koppelen dit, wat demagogisch, aan een uitspraak van Mario Andretti: “if you think you are in control, you are not driving fast enough”. Als het leerproces deelnemers gemakkelijk afgaat, dan is dat een teken dat het niet grondig genoeg is. We benoemen dit als het verschil tussen kennis stapelen en kennis verbinden. Kennis stapelen is spannend, omdat het tijd en ‘stampwerk’ kost. Het ‘doet’ echter niets met bestaande kennis. Het verbinden en het opnieuw reflecteren op bestaande kennis is spannend en spanningsvol, omdat het botst met wat de deelnemer al weet, of denkt te weten. Het botst met wat de omgeving de deelnemer opdraagt, met wat gemeengoed is en met wat de deelnemer in normatieve zin altijd al vond. Ook hier geldt weer dat dit proces individueel is, maar niet plaats kan vinden zonder hulp van anderen. Andere deelnemers, docenten en practitioners helpen hierbij. Zij zijn de mede-veroorzakers van de spanning én helpen vervolgens met het opnieuw plaatsen van de indrukken, het opnieuw ordenen van kennis en het opnieuw doordenken van de eigen normatieve schema’s. Het is onze ervaring dat het type deelnemers dat aan executive master-trajecten deelneemt deze spanning, het tegenspel van anderen, de intellectuele uitdagingen, zeer waardeert en zelfs als ontspannend ervaart. De collegezaal is dan tot studiehuis geworden, waarin deelnemers wekelijks komen voor reflectie en ontwikkeling.
