Afgerond onderzoek

Amarantis in een vertraagde val
Onderwijskolos Amarantis komt miljoenen tekort’, zo kopt Het Parool op 4 februari 2012. Het is de dag dat ook voor het grote publiek bekend wordt dat Amarantis financiële problemen heeft. Amarantis staat dan al onder intensief toezicht van de Inspectie van het Onderwijs en achter de schermen wordt door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gezocht naar oplossingen. De vraag die dit oproept is: Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Hoe kan het toezicht zo dichtbij zijn en hoe kan het dan toch zo misgaan dat de organisatie op financieel instorten staat? Om deze vragen te kunnen beantwoorden heeft de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB) in opdracht van de Commissie onderzoek financiële problematiek Amarantis onderzoek verricht naar de public governance: de handelwijze en bevoegdheidsuitoefening van het Ministerie van OCW en de Inspectie van het Onderwijs in relatie tot Amarantis.

Uit het rapport ‘Vertraagde val’ blijkt dat Amarantis, ondanks het geïntensiveerde toezicht van de Inspectie, gradueel in een crisis belandde. Het toezichtsysteem voor het onderwijs heeft echter schokken nodig om ingrijpende acties of interventie te rechtvaardigen. Het moet écht misgaan voordat we toestaan dat inbreuk wordt gemaakt op de autonomie van onder toezicht gestelde instellingen. Bij Amarantis waren er geen schokkende gebeurtenissen, maar waren er steeds versnipperde signalen die op problemen bij Amarantis duidden. Deze signalen, niet alleen op financieel gebied maar ook op thema’s rond onderwijskwaliteit en examenkwaliteit, hadden wellicht samen tot één totaalbeeld kunnen leiden dat in ieder geval in de optelsom krachtig genoeg was geweest om het kader voorbij te gaan. Het rapport is als deelonderzoek integraal opgenomen in het Commissierapport ‘Autonomie verplicht’.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met drs. Jorren Scherpenisse via scherpenisse@nsob.nl of 070 30 24 948.

Reputaties gewogen. Beelden over de rechtspraak bij beslissers en publieke opinieleiders
In het rapport ‘Reputaties gewogen. Beelden over de rechtspraak bij beslissers en publieke opinieleiders’ doen de auteurs Paul Frissen, Paul ’t Hart en Stijn Sieckelinck verslag van een onderzoek dat de denktank van de NSOB heeft verricht in opdracht van de Raad voor de rechtspraak  naar de reputatie van de Rechtspraak onder beslissers en publieke opinieleiders. De titel van het rapport verwijst enerzijds naar de oordelen over de Rechtspraak die bij monde van de respondenten konden worden opgetekend en anderzijds naar de aanbeveling om in reputatiemanagement de eigen identiteit van de rechterlijke organisatie niet uit het oog te verliezen.

De resultaten uit dit onderzoek naar percepties van vertegenwoordigers van de politieke, bestuurlijke en culturele elite inzake de reputatie van de Rechtspraak zijn gebaseerd op een veldonderzoek aangevuld met academische reflectie op het concept van reputatie en op strategische uitdagingen binnen het openbaar bestuur. De Rechtspraak heeft zich de afgelopen jaren meer dan voorheen in het brandpunt van de mediabelangstelling bevonden. Het goede nieuws is dat de Rechtspraak zich in de ogen van vrijwel alle geïnterviewden zeker niet onverkort in een reputatiecrisis bevindt. Effectiviteit noch legitimiteit worden in brede kring in twijfel getrokken. Over wat de Rechtspraak dan te doen staat, signaleren de onderzoekers vooral uiteenlopende denkrichtingen die niet zelden onderling tegenstrijdig lijken. Steeds gaat het om kwesties van en/en, van en/of en van of/of. Daaruit valt af te leiden dat de omgang met dergelijke –soms paradoxale, soms tegengestelde maar – altijd dilemma-achtige verwachtingspatronen de centrale opgave is in het strategisch reputatiemanagement van de Rechtspraak.

Na het lezen van dit rapport dringt zich een beeld op van een institutie die zowel rechtsgang als rechtspreken bewaakt en daarbij voortdurend het belang van afstandelijke wijsheid en verbindende persoonlijkheid afweegt. Uit de interviews komt naar voren dat als zij hierin geoefend raakt, zij zelfs mogelijk beter dan voorheen haar werk zal kunnen verrichten.

Voor meer informatie over dit onderzoek kunt u contact opnemen met Stijn Sieckelinck, sieckelinck@nsob.nl  070 3024922.

NSOB ontwikkelt toezichtmodel voor Stichting Preventie Problematische Schulden
Weinig aspecten zijn voor burgers een zo private aangelegenheid als de eigen financiële situatie. Ook leert de ervaring dat daar waar financiële gegevens opgevraagd en bewaard worden het gevaar van – bedoeld of onbedoeld – misbruik groot is. Tegelijkertijd weten we dat het noodzakelijk is om soms informatie over de eigen financiële situatie prijs te geven. Dit geldt bijvoorbeeld als bij een uitruil sprake is van een aanmerkelijk risico voor de andere partij: een verhuurder, een hypotheekverstrekker, een kredietverlener etcetera. Deze moet immers een gegronde overtuiging hebben dat hij zijn geld (terug) krijgt.

De Stichting Preventie Problematische Schulden, waar onder andere de Nederlandse Vereniging van Incasso-ondernemingen en de Nederlandse Vereniging van Handelsinformatiebureaus in participeren, heeft een aanpak ontwikkeld om de kredietwaardigheid van individuen op een objectieve manier in beeld te brengen waardoor banken en andere kredietverstrekkende organisaties een fair besluit kunnen nemen aan iemand wel of geen krediet toe te kennen. Dit gebeurt op basis van een zogenoemde fairness indicator, die aan een individu wordt gekoppeld op basis van zijn of haar kredietverleden.

Met het verstrekken van krediet en het berekenen van de fairness indicator zijn enkele belangrijke publieke waarden gemoeid: proportionaliteit, nauwkeurigheid, transparantie en privacy. Goed toezicht op dit proces is daarom noodzakelijk. Een onderzoeksteam van de NSOB, bestaande uit Arthur Docters van Leeuwen, Philip Marcel Karré en Ellen Wiemer heeft een arrangement ontwikkeld om goed toezicht uit te kunnen oefenen op het werk van de Stichting Preventie Problematische Schulden en de commerciële bureaus die fairness indicators berekenen.

Centraal in dit voorstel staat dat elke aanbieder van fairness indicators verantwoordelijk zou moeten worden gehouden voor de kwaliteit van de gegenereerde en opgeslagen data wat input, throughput en output betreft. Dat betekent dat de organisatie die fairness indicators berekent en vervolgens aanbiedt, verplicht wordt toe te zien op de kwaliteit van de gegevens die zij gebruikt voor het berekenen van de indicator en de methodiek waarmee dit gebeurt en voor het verantwoord verstrekken van de gegenereerde data. Het toezicht zal toetsen of dit op een kwalitatief hoogwaardige en transparante manier is gebeurd.

Voor meer informatie over dit onderzoek kunt u contact opnemen met Martijn van der Steen, steen@nsob.nl  070 3024933.

Framing, scripting en casting – onderzoek naar gezagsdragers in beeld
De NSOB verricht verschillende onderzoeken naar de werking van media op bestuur en beleid. Daarbij staan de beide veranderende werelden van media en bestuur centraal en hebben we ons gericht op de bijzondere interactie tussen deze twee werelden. Het onderzoek is op eigen initiatief uitgevoerd, in het bijzonder door prof. dr. M.J.W. van Twist, dr. M. van der Steen en drs. J. van der Spek. Het onderzoek heeft inmiddels geleid tot een aantal publicaties, waaronder het essay “Figureren in het verhaal van de ander: gezagsdragers in beeld”.

Voor meer informatie over dit onderzoek kunt u contact opnemen met Martijn van der Steen, steen@nsob.nl  070 3024933.

Vertrouwen in sturingsrelaties
Tijdens de financiële crisis is eens te meer duidelijk geworden hoe belangrijk vertrouwen is in een groot aantal sectoren van de samenleving en/of de economie. Tegelijkertijd is duidelijk geworden hoe lastig het is om vertrouwen te borgen, te herstellen en hoe vertrouwen is te organiseren. Wat tevens opvalt, is hoezeer er politieke en maatschappelijke druk bestaat om ‘te sturen op vertrouwen’. Het wordt veel genoemd in politieke programma’s en beleidsnota’s, waarbij ook moet worden opgemerkt dat er ongeveer even vaak wordt opgeroepen tot strengere vormen van controle op naleving. In opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) onderzochten we eerst wat vertrouwen ‘is’ en analyseerden vervolgens hoe het van invloed is op sturingsrelaties en op de werking van systemen. We gebruikten daarbij de casus van de ondergang van Fortis om lessen te trekken uit de werking van het vertrouwensprincipe en over de reflexiviteit van pogingen om ‘op vertrouwen te sturen’.Het onderzoek is uitgevoerd door dr. L. Noordegraaf-Eelens en dr. M. van der Steen.

Voor meer informatie over dit project kunt u contact opnemen met Martijn van der Steen, steen@nsob.nl  070 3024933.

Implementatiestrategie in praktijk
Er is traditioneel veel aandacht voor het ‘maken’ van beleid, terwijl we uit talrijk onderzoek weten dat vooral de implementatie van beleid vaak problematisch is. Beleid is er niet op het moment dat het gemaakt wordt, maar moet dan nog door de uitvoerende partijen worden overgenomen en ter plekke – soms letterlijk – invulling krijgen. En vaak zijn de uitvoerende partijen in de praktijk relatief autonoom ten opzichte van de partij die beleid maken. Of en hoe ze het beleid overnemen en invullen valt te bezien. Terwijl het tegelijkertijd noodzakelijk is voor het behalen van succes.

In opdracht van het Ministerie van OCW verricht de NSOB samen met de Universiteit Utrecht een onderzoek naar de expliciete en/of implementatiestrategie van het Ministerie van OCW. Welke theorie over implementatie door veldpartijen spreekt uit de manier waarop beleid tot stand komt? Hoe expliciet is men over die theorie, of blijkt deze vooral uit de praktijk? En welke verbetermogelijkheden zijn er, vooral als gebruik wordt gemaakt van bestaand wetenschappelijk inzicht over implementatie?

Het onderzoek wordt uitgevoerd door dr. M. van der Steen en dr. M. Pen, samen met onderzoekers van de Utrechtse School voor Beleid en Organisatie (USBO) van de Universiteit Utrecht. Voor meer informatie over dit project kunt u contact opnemen met Martijn van der Steen, steen@nsob.nl, 070 3024933.

RMO Het organiseren van tegenkracht
Het RMO onderzoek ‘Het organiseren van tegenkracht’ is tot stand gekomen in samenwerking met de NSOB. De centrale vraag van het advies is wat de publieke sector kan leren van de financiële crisis. Een belangrijke les die getrokken wordt is dat mechanismen die productief zijn omdat ze meervoudigheid reduceren tot eenvormigheid op de langere termijn perverse effecten kunnen hebben. Dat laatste gebeurt ook omdat de eenvormigheid de meervoudigheid niet alleen reduceert, maar haar ook negeert. Voorbeelden die aan bod komen uit de financiële wereld zijn: risicoprofielen, hypotheken en variabele beloningen. Als het gaat om de publieke sector wordt aandacht besteed aan de Citotoets en aan thuiszorg.
Prof.dr. Paul Frissen was bij het advies betrokken als raadslid, dr. Liesbeth Noordegraaf-Eelens als een van de auteurs. MPA fellows verzorgden de achtergrondstudie met als onderwerp de menselijke maat. Het advies kan hier gedownload worden.

Zorg door de staat in het JGZ-domein
De jeugdgezondheidszorg (JGZ) is een domein waar al enkele jaren politieke, maatschappelijke en bestuurlijke aandacht op is gericht. Door al deze interne en externe druk is de JGZ een hoogst dynamische sector, die sterk aan het evolueren is. De meest ingrijpende verandering van dit moment, zeker voor de in dit domein werkzame organisaties, is het streven te komen tot een integrale aanpak van de JGZ, met name door de zorg voor de groep van 0 tot 4 jarigen beter te laten aansluiten op de zorg voor kinderen en jeugdigen van 4 tot 19 jaar.
De verantwoordelijkheid voor de integrale JGZ ligt bij de gemeenten. Zij hebben daarbij de vrijheid te kiezen voor óf een thuiszorgorganisatie óf een GGD als uitvoeringsorganisatie, óf een combinatie van beide. Ruim de helft van alle gemeenten vult deze keuze inmiddels in door de uitvoering van de integrale JGZ naar zich toe te trekken en de GGD-en ervoor verantwoordelijk te stellen: een inbesteding en verstatelijking dus van deze zorg.
In het essay Zorg door de staat, dat vervaardigd is in opdracht van ActiZ, de brancheorganisatie van zorgondernemingen, wordt deze overgang naar een grotere rol van de staat in de JGZ kritisch bekeken. Paul Frissen, Philip Marcel Karré en Martijn van der Steen schetsen de ontwerpkeuzes die gemeenten hebben bij de inrichting van de JGZ en hoe zij deze invullen. Uit hun analyse komt naar voren dat een ontwikkeling gaande lijkt, waarbij in plaats van een beleidsinhoudelijke benadering, die vertrekkend vanuit de zorgbehoeften van het kind, gebaseerd was op een meervoudige benadering met het daarbij horende verfijnde instrumentarium van professioneel maatwerk, nu een benadering heerst waarbij (financiële) beheersing centraal staat in de JGZ en er gestuurd wordt op integraliteit en uniformiteit van de verleende zorg. Dat houdt ook een verschuiving in van het financierings- en governancearrangement; het leidt in het algemeen tot een grotere rol van de overheid in de JGZ, niet alleen als controleur, maar meer en meer ook als uitvoerende partij, door deze taak volledig over te dragen aan de GGD-en.
Er is dus in dit domein sprake van verstatelijking van de JGZ en de komst van overheidsgezondheidszorg. Dit is een opmerkelijke ontwikkeling omdat in tal van andere domeinen op dit moment voorkeur is voor meer eigen verantwoordelijkheid door de maatschappij. Bovendien verschuift de uitvoering van de JGZ daardoor van het zorg- naar het preventie- en risicodomein. Ook bij deze ontwikkeling plaatsen de auteurs vraagtekens.

Mechanismen van beleidsdruk
Drukte en druk zijn ook in de ambtelijke context geen onbekend verschijnsel: het lijkt momenteel zelfs een alomtegenwoordig fenomeen. Zo klagen veel ambtenaren over werkdruk, burgers over regeldruk en bestuurders over bestuurlijke drukte. Steeds vaker is er ook sprake van beleidsdruk, de drukte die voortkomt uit beleidspraktijken. Deze is recent gemeten door het team Benchmarken, Benchlearning Rijk van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. In opdracht van dat departement voert de NSOB een verkenning uit naar de mechanismen die beleidsdruk ten grondslag liggen. Deze zijn (1) de beleidslawine die ontstaat als politieke ambities moeten worden omgezet in concreet handelen; (2) institutionele interferentie als gevolg van de noodzaak tot samenwerking binnen de eigen organisatie en met andere organisaties; (3) de incidentenresonantie van de ambtelijke organisatie in de dramademocratie; (4) de vicieuze cirkels die besloten liggen in het bouwen aan de controletoren en (5) ‘withinputs’, ofwel prikkels die hun oorsprong vinden in de ambtelijke organisatie zelf en de mensen die daar werkzaam zijn. Het onderzoek van de NSOB leidt tot een essay die gebruikt zal worden om in wetenschappelijke kring een discussie aan te wakkeren over het fenomeen beleidsdruk. Voor meer informatie over dit project kunt u contact opnemen met Mag. phil. P.M. Karré, karre@nsob.nl, 070-3024922.

Strafrechtelijke aansprakelijkheid gevangenisdirecteuren
De strafrechtelijke immuniteit van de staat en ambtenaren staat al meer dan tien jaar op de politieke agenda, nadat de Hoge Raad in 1996 oordeelde dat ambtenaren strafrechtelijke immuniteit genieten omdat ook de staat zelf niet kan worden vervolgd. Met name na de vuurwerkramp in Enschede (in 2000) en de nieuwjaarsbrand in Volendam (2001), toen bleek dat betrokken bestuursorganen en ambtenaren op voorhand niet strafrechtelijk konden worden vervolgd, heeft dit feit tot grote politieke en maatschappelijke verontwaardiging geleid. Inmiddels is de strafrechtelijke immuniteit van ambtenaren dan ook wettelijk ingeperkt en geldt zij alleen nog voor feiten die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een publieke taak die bij wet is opgedragen.
Ook bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) staan onderwerpen als persoonlijke verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid hoog op de agenda. Door enkele gebeurtenissen van de afgelopen jaren is de behoefte ontstaan dit vraagstuk diepgaander aan de orde te stellen en een concrete visie te ontwikkelen hoe DJI hier als organisatie mee om moet gaan.
DJI heeft de NSOB verzocht input te leveren voor een organisatiebrede discussie over de individuele aansprakelijkheid van haar medewerkers door de elementen die een visie op het vraagstuk aansprakelijkheid zou moeten omvatten op een rij te zetten en het debat daarover te faciliteren.
Het onderzoeksteam bestaat uit prof.dr. P.H.A. Frissen en Mag. phil. P.M. Karré. Voor meer informatie karre@nsob.nl, 070-3024922.

Toezicht op de advocatuur
De Nederlandse Orde van Advocaten heeft behoefte aan een verdere professionalisering van het toezicht op de advocatuur. Binnen de beroepsgroep is na de toelating tot de Orde geen sprake van een systematische verantwoording door de leden en er is ook geen initieel toezicht op hun handelen. Er is wel een ‘loket’ voor klachten, maar de klachtbehandeling en afhandeling is weinig zichtbaar.De verwachting is dat de wijze waarop het toezicht nu is georganiseerd in de toekomst niet meer volstaat. Voorkomen moet worden dat de geloofwaardigheid van de beroepsgroep in het geding komt. Om die reden is aan mr. A.W.H. Docters van Leeuwen gevraagd te adviseren over een transparante doch krachtige organisatie van het toezicht op de advocatuur, in het bijzonder rond de afhandeling van klachten. De verbetering van het toezicht moet recht doen aan de bijzondere positie van de advocatuur in het maatschappelijk bestel.
Het onderzoek is vanuit de NSOB uitgevoerd door mr. A.W.H. Docters van Leeuwen, Mag. phil. P.M. Karré en ir. E. Wiemer. Voor meer informatie karre@nsob.nl, 070-3024922.
Het rapport is op 8 april 2010 aangeboden aan Jan Loorbach, de landelijke deken van de Orde van Advocaten. Zie voor meer informatie en een elektronische versie van het rapport.

Verandering van de Vernieuwing
De denktank voerde in de eerste helft van 2009 een voorstudie uit in het kader van het onderzoeksprogramma De rijksoverheid voor de Toekomst, dat onderdeel uitmaakt van het programma Vernieuwing Rijksdienst. Secretaris-generaal Roel Bekker was opdrachtgever van het onderzoek. De voorstudie was één van de drie voorstudies die in het kader van het programma overheid voor de toekomst werden uitgevoerd. In de voorstudie beschreven we de verschillende vernieuwingspogingen die sinds de Tweede Wereldoorlog zijn ingezet, waarin we aandacht hadden voor de in het programma geformuleerde beleidstheorie (de voorgestelde vernieuwing) en de gevolgde veranderstrategie (de vorm en aanpak van de verandering). We gingen daarbij op zoek naar mogelijke patronen daarbinnen. Daarnaast maakten we onderscheid tussen het papier en de praktijk van de vernieuwingsoperaties: we probeerden ze vanuit het tijdsperspectief te begrijpen en verklaren hoe ze hebben gewerkt. Daarbij hadden we aandacht voor de bedoelde gevolgen, maar ook voor onbedoelde of ongedachte gevolgen. Dit deel van het onderzoek is in april 2009 afgerond.
In het tweede deel van de voorstudie richtten we ons op de mate van ontkoppeling die in de verschillende verandervoorstellen plaatsvindt en de ontwikkeling tot wat wij benoemen als vloeibaar bestuur. We keken hierbij naar nieuwe mogelijkheden van tussenvormen, zoals bijvoorbeeld de programmaministers, gecombineerde directies, maar ook naar bepaalde nieuwe functies en soorten van professionaliteit die zich nadrukkelijk op organisatieoverstijgende verbindingen richten. Dit deel van het onderzoek werd aan het eind van het tweede kwartaal afgerond. Inmiddels is het element vloeibaar bestuur onderwerp van een aantal vervolgpublicaties en debatten.
Het opdrachtteam bestaat uit Mark van Twist, Martijn van der Steen, Rik Peeters, Mark van Ostaijen en Philip Karré. Voor nadere informatie kunt u contact opnemen met Martijn van der Steen, steen@nsob.nl, 070 3024933.

Publicaties:
Vernieuwende Verandering – Rapport fase 1
Het nieuwe tussen – Rapport fase 2

De inzichten uit beide onderzoeken zijn bovendien op toegankelijke wijze samen gebracht in de denktankpublicatie “Veranderende vernieuwing: op weg naar vloeibaar bestuur”

De weg omhoog
Sociale mobiliteit is het proces van maatschappelijke voor- of achteruitgang van groepen of individuen. De overheid probeert middels haar beleid mensen op tal van manieren te laten ’stijgen’ op de maatschappelijke ladder. Dit overheidsstreven is bijvoorbeeld terug te vinden in beleid voor onderwijs, werkgelegenheid en sociale samenhang. De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) signaleert dat het denken van de overheid over sociale mobiliteit steeds meer wringt met huidige maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom werkt de Raad aan een vernieuwend denkkader over sociale mobiliteit en onderzoekt zij welke implicaties dit nieuwe concept heeft voor de manier waarop de overheid met sociale mobiliteit omgaat. Een onderzoeksteam van de NSOB, bestaande uit dr. Martijn van der Steen, drs. Rik Peeters en drs. Mark Pen, voerde een achtergrondstudie uit naar de beleidshistorie rond sociale mobiliteit over de afgelopen dertig jaar. Welke redeneringen, beelden en verhaallijnen over sociale mobiliteit hanteren bestuurders en welke oplossende interventies stellen zij daarvoor voor? Hoe verhouden deze zich tot maatschappelijke reflexiviteit, de interventieparadox en het inherent omstreden karakter van sociale mobiliteit? Deze en andere vragen stonden in de achtergrondstudie centraal.
Voor informatie over het onderzoek kunt u contact opnemen met Rik Peeters peeters@nsob.nl, 070 3024936.

Beleidsrealisatie in een netwerk
De eenheid accountmanagement van het Ministerie van VROM verzocht de denktank van de NSOB een studie te doen naar, en de bevindingen daarvan te vatten in een essay over, beleidsrealisatie in een netwerk. De idee hierbij was dat het ministerie zich op veel dossiers als partij te midden van vele andere partijen bevindt en voor de realisatie van beoogde effecten afhankelijk is van andere partijen, waarover men geen directe controle heeft. Hoe lukt het om onder die omstandigheden toch tot effectieve beleidsrealisatie te komen, wat is daarvoor nodig en wat vergt dat van de organisatie en van de professionals die op deze manier in het netwerk opereren? De NSOB verrichtte literatuuronderzoek en scherpte in een viertal bijeenkomsten met ambtenaren van VROM en met partijen uit het veld het uitgewerkte handelingsrepertoire aan.
Mark van Twist, Martijn van der Steen en Rik Peeters werkten aan het onderzoek.
Voor nadere informatie kunt u contact opnemen met Martijn van der Steen, steen@nsob.nl. De resultaten van het onderzoek zijn te vinden in de publicatie “De Boom of the Rizoom”

Wijkgericht werken
In Utrecht wordt als in veel andere gemeenten gewerkt met een wijkgerichte aanpak. De stad kent een indeling in tien wijken met elk een wijkmanager, die aan het hoofd staat van een wijkbureau.
Op verzoek van de Dienst Wijken van de gemeente Utrecht heeft de NSOB aan de hand van een uitgebreide praktijkverkenning reflecties aangedragen over de professionaliteit, de profilering en de positionering van wijkmanagers. Welke rollen vervult de wijkmanager in de praktijk? Welke spanningen doen zich voor als er invulling wordt gegeven aan wijkgericht werken en hoe worden die spanningen in het professionele handelen zichtbaar? Wat zijn specifieke kenmerken van de professionaliteit die in het wijkgerichte werken tot uitdrukking komt? En welke positie heeft de wijkmanager in de gemeentelijke organisatie? Om tot deze inzichten te komen, zijn – naast een literatuurverkenning – gesprekken gevoerd met wijkmanagers en de partijen met wie zij functionele relaties onderhouden: burgers, bedrijven, welzijnsorganisaties, woningcorporaties, politie en gemeentelijke sectordiensten.
Het onderzoek is uitgevoerd door prof. dr. Mark van Twist, dr. Martijn van der Steen, drs. Rik Peeters en drs. Mark Pen. Voor informatie over dit onderzoek kunt u contact opnemen met Rik Peeters peeters@nsob.nl, 070 3024936.

Onderzoek naar de werking van programmaministeries
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) participeert in een internationaal netwerk van overheden die samen innovaties in sturingsvormen ontwikkelen en uitwisselen, het zogenaamde New Synthesis Framework. De Denktank van de NSOB heeft in opdracht van het Ministerie van BZK onderzocht wat de bijzondere eigenschappen van programmaministeries zijn en hoe de concrete werkpraktijk van deze bijzondere vormen van overheidsorganisatie zijn. Daartoe hebben we de Ministeries voor Jeugd en Gezin en voor Wonen, Wijken en Integratie onderzocht. We hebben geanalyseerd wat de aanleiding voor deze ministeries was, hoe de opstartfase is verlopen, hoe de werkwijze tijdens de regeringsperiode was en welke lessen er uit de concrete praktijken en ervaringen te leren zijn.
Het onderzoek is uitgevoerd door prof. dr. M.J.W. van Twist, dr. M. van der Steen, dr. M. Pen en Mag. P.M. Karré. Voor meer informatie over dit project kunt u contact opnemen met Mag. phil. P.M. Karré karre@nsob.nl, 070-3024922.

De ambtenaar van de toekomst en het werken in HUB’s
De NSOB Denktank heeft in samenwerking met Berenschot een essay geschreven over een nieuwe manier voor overheidsorganisatie om samen te werken met partijen in het netwerk. De idee van deze samenwerkingsvorm, benoemd als ‘de HUB’, is om buiten de bestaande kaders om, met alle betrokken partijen rond een bepaald vraagstuk, snel en actief te komen tot nieuwe inzichten voor probleemoplossing. In het essay wordt eerst uitgewerkt wat de aanleiding en de noodzaak voor een dergelijke nieuwe vorm van werken zijn, waarna de werkvorm zelf nader wordt beschreven en er reflectie plaats vindt op de betekenis van deze werkvorm voor de bestaande werkvormen in het openbaar bestuur.
Het onderzoek is uitgevoerd door prof. dr. M.J.W. van Twist en dr. M. van der Steen, in samenwerking met drs. M. Schulz van Berenschot. Voor meer informatie over dit project kunt u contact opnemen met Martijn van der Steen, steen@nsob.nl, 070 3024933.

Symboliek in de Zuidvleugel
Taal is niet neutraal en de beelden van beleid en bestuur zeggen soms meer dan de nota’s en stukken die er achter liggen. In het onderzoek dat wij in opdracht van het Bureau Zuidvleugel (een samenwerkingsverband van de Provincie Zuid-Holland en de gemeenten van de ‘zuidelijke Randstad’) hebben uitgevoerd, hebben we geanalyseerd welke beelden en metaforen in beleidsteksten en communicatie over de Zuidvleugel worden gebruikt. Daarbij hebben we gekeken naar het beeld dat wordt opgeroepen en de verhouding van dat beeld tot concrete praktijken. We hebben de beelden van de Zuidvleugel vergeleken met twee andere stedelijke regio’s, de Noordvleugel (‘Metropoolregio Amsterdam’) en de San Francisco Bay Area.
Het onderzoek is uitgevoerd door prof. dr. M. van Eeten, dr. M. van der Steen en drs. E. Wiemer. Voor meer informatie over het onderzoek kunt u contact opnemen met Ellen Wiemer wiemer@nsob.nl, 070 3024941.

Regeldruk in de verslavingsreclassering
Professionals werkzaam in de publieke dienstverlening hebben het niet gemakkelijk. Er wordt van verschillende kanten druk op hen uitgeoefend en zij moeten een aantal tegenstrijdige logica’s met elkaar in balans weten te brengen. Zo moeten zij hun eigen professionaliteit op een goede manier combineren met de bureaucratische logica van de overheid en de steeds nadrukkelijker aanwezige prikkels uit de markt. Daarnaast is er ook een hevige discussie over regeldruk. Die komt voort uit het feit dat professionals de indruk hebben dat de regels die zij moeten volgen niet samenhangen met hun professionele identiteit, maar juist het resultaat zijn van de wens van derden om hen te disciplineren. Ook het opknippen van werkzaamheden en de bureaucratisering van relaties ervaren zij als een ernstige beperking van hun professionele ruimte.
Deze issues spelen bij veel organisaties in de publieke dienstverlening, en ook bij de verslavingsreclassering. De Stichting Verslavingsreclassering GGZ (SVG) heeft daarom een denktank bestaande uit wetenschappers en practitioners in het leven te roepen om haar te ondersteunen bij het terugbrengen van regels. Prof.dr. Paul Frissen en Mag. phil. Philip Marcel Karré, senioronderzoeker, hebben de discussies van de denktank verwoord in een essay, dat op 8 april aan is geboden aan demissionair-minister van Justitie, Ernst Hirsch Ballin.
Een elektronische versie van het essay is hier te vinden. Een gedrukte versie kan (zonder kosten) worden verkregen door een mail te sturen naar info@nsob.nl. Voor meer informatie karre@nsob.nl, 070-3024922.

Twinning SVB-IND – Lessen en ervaringen uit een bijzonder samenwerkingsverband
De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en de Sociale Verzekeringsbank (SVB) zijn eind 2005 ten behoeve van de eigen organisatieontwikkeling een alliantie aangegaan waarin onderlinge uitwisseling van kennis en ervaring en wederzijds leren centraal staat. Deze ‘Twinning’ is er op gericht om de prestaties van beide organisaties te verbeteren door vanuit een wederzijdse gelijkwaardigheid de kracht van de ene organisatie ook in de processen van de andere organisatie te kunnen benutten. De NSOB-denktank onderzoekt, op uitnodiging van de SVB en de IND, deze vernieuwende vorm van interorganisationeel leren om de succesfactoren voor toekomstige vergelijkbare samenwerkingsverbanden in beeld te brengen. In het tijdschrift Bestuurswetenschappen is een artikel over dit onderwerp verschenen.
Het onderzoek is in 2008 afgerond. Prof. dr. M.J.W. (Mark) van Twist en Mag. P.M. (Philip) Karré zijn de onderzoekers. Voor meer informatie over ‘Twinning’ kunt u contact opnemen met Mag. P.M. Karré, karre@nsob.nl,070 3024922.

Gerelateerde publicaties:
- Van Twist, M. & Karré, P. ‘Burenhulp in het openbaar bestuur? Een beschouwing over de twinning tussen SVB en IND’, in: Bestuurswetenschappen, nummer 4, 2008, pp. 36-4

InAxis – De betekenis van verschuivende grenzen tussen publiek en privaat
De NSOB-denktank onderzoekt in samenwerking met bureau InAxis van het Ministerie van BZK de betekenis van de schuivende grenzen tussen publiek en privaat. Het onderzoek beschrijft een grote reeks praktijken waarin private partijen voorheen publieke taken op zich nemen en waar, soms onttrokken aan het zicht van media en politiek, vergaande en bijzonder innovatieve verbindingen van waarden en domeinen plaatsvinden. Het onderzoek concentreert zich op grensvervagingen in praktijken in de domeinen zorg, onderwijs en wonen. Het gaat echter ook in op prangende vragen over de rol van private equity in het publieke domein, de steeds wijdere en ondoorzichtige vertakkingen die door functiecombinaties en allianties ontstaan en de ontwikkeling van ‘Seniorensteden’ en ‘gated communities’ in Nederland. Doel van het onderzoek, dat de NSOB-denktank samen met InAxis uitvoert, is enerzijds het ontwikkelen van concepten om de grensvervagingen te begrijpen en anderzijds de betekenis ervan voor het openbaar bestuur te doorgronden.
Het onderzoek is eind 2008 afgerond. Namens de NSOB-denktank zijn prof. dr. M.J.W. (Mark) van Twist, dr. M.A. (Martijn) van der Steen en drs. W.J. (Wouter-Jan) Verheul de onderzoekers. Voor meer informatie over dit onderzoek en over de vervaging van de grenzen tussen publiek en privaat kunt u contact opnemen met drs. M.A. van der Steen, steen@nsob.nl of 070 3024933.

Hieronder de drie rapporten:
Grensverleggend Ondernemerschap
De overheid heeft concurrentie gekregen. In het publieke domein zijn steeds meer andere actoren dan de overheid actief in de uitvoering van taken die door veel mensen ‘publiek’ genoemd zullen worden. Het gaat daarbij niet om privatiseringen of ‘verzelfstandigingen’ die door de overheid worden geïnitieerd, maar door ondernemers die zelf het heft in eigen hand nemen. Uit eigen beweging. En in veel gevallen met succes. Deze publicatie brengt een aantal van dergelijke initiatieven in beeld en laat zien hoe door dit soort initiatieven de grenzen tussen publiek en privaat in beweging zijn gekomen.

Publicatie:
Ondernemerschap & grensverleggende praktijken

Repertoire voor Regelreductie
Opeenvolgende kabinetten doen pogingen om regels te reduceren. Het netto resultaat is steeds dat de regels per kabinetsperiode toenemen en dat de gevoelde maatschappelijke last van die regels groter wordt. Dit essay verklaart deze op het eerste gezicht bijzondere gang van zaken, door te reflecteren op wat regels zijn en doen en hoe ze ten diepste verbonden zijn met het gedragspatroon van politici, bestuurders, ambtenaren, belangengroepen en ondernemers. Vanuit die vaststelling ontstaat een ander perspectief op sturing en regelgeving, waarbij sturen op vertrouwen centraal komt te staan en het probleemoplossend vermogen van maatschappelijke actoren ten volle wordt ingeschakeld.

Publicatie:
- Repertoire voor regelreductie

Op weg naar de ‘Doe-het-zelf-democratie’
In bestaande modellen van het bepalen en waarborgen van publieke belangen wordt altijd uitgegaan van een democratisch bestuur waarin afwegingen en verantwoording plaatsvinden. Tegelijkertijd zijn er talrijke voorbeelden – in het buitenland, in het verleden en ook in ‘ons’ heden – waarin iets anders gebeurd: privaat beheerde woondomeinen waarin burgers zelf, al dan niet met intermediaire organisaties, hun eigen bestuur organiseren. Ze doen dat niet in de bekende structuren van parlementen, gemeenteraden of provinciale staten, maar via zelf gemaakte structuren die een privaat karakter hebben. Interessant is dat dergelijke gemeenschappen niet ‘a-sociaal’ of ‘ondemocratisch’ blijken te zijn, maar juist bijzonder ontwikkelde vormen van burgerschap tot bloei brengen. Dit roept de vraag op hoe de overheid zich tot dergelijke praktijken moet en kan verhouden en wat dergelijke praktijken betekenen voor de democratische legitimiteit van de overheid zelf.

Publicatie:
Op weg naar de ‘Doe-het-zelf-democratie’