Lopend onderzoek

NSOB ontwikkelt toezichtmodel voor Stichting Preventie Problematische Schulden
Weinig aspecten zijn voor burgers een zo private aangelegenheid als de eigen financiële situatie. Ook leert de ervaring dat daar waar financiële gegevens opgevraagd en bewaard worden het gevaar van – bedoeld of onbedoeld – misbruik groot is. Tegelijkertijd weten we dat het noodzakelijk is om soms informatie over de eigen financiële situatie prijs te geven. Dit geldt bijvoorbeeld als bij een uitruil sprake is van een aanmerkelijk risico voor de andere partij: een verhuurder, een hypotheekverstrekker, een kredietverlener etcetera. Deze moet immers een gegronde overtuiging hebben dat hij zijn geld (terug) krijgt.

De Stichting Preventie Problematische Schulden, waar onder andere de Nederlandse Vereniging van Incasso-ondernemingen en de Nederlandse Vereniging van Handelsinformatiebureaus in participeren, heeft een aanpak ontwikkelt om de kredietwaardigheid van individuen op een objectieve manier in beeld te brengen waardoor banken en andere kredietverstrekkende organisaties een fair besluit kunnen treffen aan iemand wel of geen krediet toe te kennen. Dit gebeurd op basis van een zogenoemde fairness indicator, die aan een individu wordt gekoppeld op basis van zijn of haar kredietverleden.

Met het verstrekken van krediet en het berekenen van de fairness indicator zijn enkele belangrijke publieke waarden gemoeid: proportionaliteit, nauwkeurigheid, transparantie en privacy. Goed toezicht op dit proces is daarom noodzakelijk. Een onderzoeksteam van de NSOB, bestaande uit Arthur Docters van Leeuwen, Philip Marcel Karré en Ellen Wiemer heeft een arrangement ontwikkelt om goed toezicht uit te kunnen oefenen op het werk van de Stichting Preventie Problematische Schulden en de commerciële bureaus die fairness indicators berekenen.

Centraal in dit voorstel staat dat elke aanbieder van fairness indicators verantwoordelijk zou moeten worden gehouden voor de kwaliteit van de gegenereerde en opgeslagen data wat input, throughput en output betreft. Dat betekent dat de organisatie die fairness indicators berekent en vervolgens aanbiedt, verplicht wordt toe te zien op de kwaliteit van de gegevens die zij gebruikt voor het berekenen van de indicator en de methodiek waarmee dit gebeurt en voor het verantwoord verstrekken van de gegenereerde data. Het toezicht zal toetsen of dit op een kwalitatief hoogwaardige en transparante manier is gebeurd.

Zorg door de staat in het JGZ-domein
De jeugdgezondheidszorg (JGZ) is een domein waar al enkele jaren politieke, maatschappelijke en bestuurlijke aandacht op is gericht. Door al deze interne en externe druk is de JGZ een hoogst dynamische sector, die sterk aan het evolueren is. De meest ingrijpende verandering van dit moment, zeker voor de in dit domein werkzame organisaties, is het streven te komen tot een integrale aanpak van de JGZ, met name door de
zorg voor de groep van 0 tot 4 jarigen beter te laten aansluiten op de zorg voor kinderen en jeugdigen van 4 tot 19 jaar. De verantwoordelijkheid voor de integrale JGZ ligt bij de gemeenten. Zij hebben daarbij de vrijheid te kiezen voor óf een thuiszorgorganisatie óf een GGD als uitvoeringsorganisatie, óf een combinatie van beide. Ruim de helft van alle gemeenten vult deze keuze inmiddels in door de uitvoering van de integrale JGZ naar zich toe te trekken en de GGD-en ervoor verantwoordelijk te stellen: een inbesteding en verstatelijking dus van deze zorg.

In het essay Zorg door de staat, dat vervaardigd is in opdracht van ActiZ, de brancheorganisatie van zorgondernemingen, wordt deze overgang naar een grotere rol van de staat in de JGZ kritisch bekeken. Paul Frissen, Philip Marcel Karré en Martijn van der Steen schetsen de ontwerpkeuzes die gemeenten hebben bij de inrichting van de JGZ en hoe zij deze invullen. Uit hun analyse komt naar voren dat een ontwikkeling gaande lijkt, waarbij in plaats van een beleidsinhoudelijke benadering, die vertrekkend vanuit de zorgbehoeften van het kind, gebaseerd was op een meervoudige benadering met het daarbij horende verfijnde instrumentarium
van professioneel maatwerk, nu een benadering heerst waarbij (financiële) beheersing centraal staat in de JGZ en er gestuurd wordt op integraliteit en uniformiteit van de verleende zorg. Dat houdt ook een verschuiving in van het financierings- en governancearrangement; het leidt in het algemeen tot een grotere rol van de overheid in de JGZ, niet alleen als controleur, maar meer en meer ook als uitvoerende partij, door deze taak volledig over te dragen aan de GGD-en.

Er is dus in dit domein sprake van verstatelijking van de JGZ en de komst van overheidsgezondheidszoef. Dit is een opmerkelijke ontwikkeling omdat in tal van andere domeinen op dit moment voorkeur is voor meer eigen verantwoordelijkheid door de maatschappij. Bovendien verschuift de uitvoering van de JGZ daardoor van het zorg- naar het preventie- en risicodomein. Ook bij deze ontwikkeling plaatsen de auteurs vraagtekens.

Framing, scripting en casting – onderzoek naar gezagsdragers in beeld
De NSOB verricht verschillende onderzoeken naar de werking van media op bestuur en beleid. Daarbij staan de beide veranderende werelden van media en bestuur centraal en richten we ons op de bijzondere interactie tussen deze twee werelden. Het onderzoek wordt op eigen initiatief uitgevoerd, in het bijzonder door prof. dr. M.J.W. van Twist, dr. M. van der Steen en drs. J. van der Spek. Het onderzoek heeft inmiddels geleid tot een aantal publicaties, waaronder het essay “Figureren in het verhaal van de ander: gezagsdragers in beeld”. Daarnaast verzorgen de onderzoekers regelmatig lezingen en workshops over het onderwerp, waarbij concrete casuïstiek met de meest betrokken actoren wordt geanalyseerd.

Voor meer informatie over dit onderzoek kunt u contact opnemen met Jaap van der Spek, spek@nsob.nl, 070 3024948.

Implementatiestrategie in praktijk
Er is traditioneel veel aandacht voor het ‘maken’ van beleid, terwijl we uit talrijk onderzoek weten dat vooral de implementatie van beleid vaak problematisch is. Beleid is er niet op het moment dat het gemaakt wordt, maar moet dan nog door de uitvoerende partijen worden overgenomen en ter plekke – soms letterlijk – invulling krijgen. En vaak zijn de uitvoerende partijen in de praktijk relatief autonoom ten opzichte van de partij die beleid maken. Of en hoe ze het beleid overnemen en invullen valt te bezien. Terwijl het tegelijkertijd noodzakelijk is voor het behalen van succes.

In opdracht van het Ministerie van OCW verricht de NSOB samen met de Universiteit Utrecht een onderzoek naar de expliciete en/of implementatiestrategie van het Ministerie van OCW. Welke theorie over implementatie door veldpartijen spreekt uit de manier waarop beleid tot stand komt? Hoe expliciet is men over die theorie, of blijkt deze vooral uit de praktijk? En welke verbetermogelijkheden zijn er, vooral als gebruik wordt gemaakt van bestaand wetenschappelijk inzicht over implementatie?

Het onderzoek wordt uitgevoerd door dr. M. van der Steen en dr. M. Pen, samen met onderzoekers van de Utrechtse School voor Beleid en Organisatie (USBO) van de Universiteit Utrecht. Voor meer informatie over dit project kunt u contact opnemen met Martijn van der Steen, steen@nsob.nl, 070 3024933.

Legitimiteit van sociaal beleid en de verzorgingsstaat
Allerlei onderzoeken wijzen uit dat het vertrouwen van burgers in de overheid afneemt. Veel burgers geven daarbij aan dat zij geen vertrouwen hebben in de instituties van de verzorgingsstaat en dat zij de legitimiteit van overheidsoptreden in het sociale domein steeds lager waarderen. Ze benoemen een afstand tussen wat overheidsinstituties doen en wat burgers verlangen en/of de samenleving volgens burgers nodig heeft. En dat terwijl de verzorgingsstaat bij uitstek bestaat en kan functioneren vanuit een door burgers als legitiem ervaren middelenoverdracht tussen groepen en generaties. In opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verricht de Denktank van de NSOB samen met de Erasmus Universiteit Rotterdam een onderzoek naar het vermeende legitimiteitprobleem. Zo onderzoeken we de relatieve omvang ervan, door een analyse van nationale en internationale datasets over vertrouwensniveaus en daaraan gerelateerde indicatoren. Daarnaast analyseren we een reeks beleidscases, waarbij we in beeld brengen hoe de instituties hebben gereageerd op maatschappelijke ontwikkelingen en of die reactie van het beleid (en de uitvoering) in overeenstemming waren met de gevoelde maatschappelijke urgentie. We gebruiken een longitudinale analyse, zodat de ontwikkelingen over langere termijn zichtbaar worden. Daarbij brengen we maatschappelijke urgentie in beeld door analyses van probleempercepties van veldpartijen, door analyses van beleidsnota’s, door analyses van Kamerdebatten en door analyses van het discours in media over het vraagstuk.

Het onderzoek wordt uitgevoerd door prof. dr. P.H.A. Frissen, dr. M. van der Steen en drs. F. Roosma, samen met onderzoekers van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Voor meer informatie over dit project kunt u contact opnemen met Martijn van der Steen, steen@nsob.nl, 070 3024933.

Vertrouwen in sturingsrelaties
Tijdens de financiële crisis is eens te meer duidelijk geworden hoe belangrijk vertrouwen is in een groot aantal sectoren van de samenleving en/of de economie. Tegelijkertijd is duidelijk geworden hoe lastig het is om vertrouwen te borgen, te herstellen en hoe vertrouwen is te organiseren. Wat tevens opvalt, is hoezeer er politieke en maatschappelijke druk bestaat om ‘te sturen op vertrouwen’. Het wordt veel genoemd in politieke programma’s en beleidsnota’s, waarbij ook moet worden opgemerkt dat er ongeveer even vaak wordt opgeroepen tot strengere vormen van controle op naleving. In opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) onderzoeken we eerst wat vertrouwen ‘is’ en analyseren we vervolgens hoe het van invloed is op sturingsrelaties en op de werking van systemen. We gebruiken daarbij de casus van de ondergang van Fortis om lessen te trekken uit de werking van het vertrouwensprincipe en over de reflexiviteit van pogingen om ‘op vertrouwen te sturen’.

Het onderzoek wordt uitgevoerd door drs. L. Noordegraaf-Eelens en dr. M. van der Steen. Voor meer informatie over dit project kunt u contact opnemen met Liesbeth Noordegraaf-Eelens,  eelens@nsob.nl,  070 3024927.

Vertrouwen en Verantwoordelijk als principe
Op alle niveaus in het openbaar bestuur wordt nu – en in de komende periode – gewerkt met krachtige taakstellingen en heroverwegingen. Vaak hebben die het karakter van meer doen met minder. Het is de vraag hoe dat kan. Duidelijk is wel dat van overheden wordt gevraagd om steeds vaker te sturen zonder geld. In opdracht van de gemeente Dordrecht onderzoekt de Denktank van de NSOB in hoeverre het mogelijk is om door de introductie van de elementen vertrouwen en verantwoordelijkheid in sturingsrelaties – intern binnen de gemeente en in relatie tot de stad – concrete besparingen te realiseren en bij te dragen aan de taakstelling. Daarbij verkennen we enerzijds wat mogelijkheden en voorwaarden zijn voor de inzet van vertrouwen in sturingsrelaties, maar beschrijven we in samenwerking met teams van ambtenaren uit Dordrecht anderzijds ook hoe dat er in veertig concrete dossiers praktisch uit komt te zien. Hoe krijgt sturen op vertrouwen in de praktijk vorm en welke concrete besparingen levert dat op?

Het onderzoek wordt uitgevoerd door dr. M. van der Steen en prof. dr. M.J.W. van Twist. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Martijn van der Steen,steen@nsob.nl, 070 3024933.