In de afgelopen periode heeft de overheid explicieter gestuurd op evidence-informed werken in de onderwijspraktijk. Onderzoek lijkt daarmee een vanzelfsprekende plaats te hebben gekregen in het politieke en beleidsmatige debat over onderwijskwaliteit.
In het essay Weten van wetenschap analyseren Marlies Honingh, Teun Toonen, Jessie Samwel, Nancy Chin-A-Fat, Wiljan Hendrikx en Henk den Uijl hoe politici, beleidsmakers en sectororganisaties in de praktijk omgaan met onderwijsonderzoek op het terrein van basisvaardigheden. Daarbij richten de auteurs zich niet alleen op het gebruik van kennis, maar vooral op de manier waarop daarover wordt gesproken en geschreven.
Wat opvalt, is dat onderzoek vrijwel altijd een legitimerende rol vervult. Het fungeert als hefboom om problemen op de agenda te zetten, als argument om besluitvorming uit te stellen, als middel om perspectieven te verbreden of juist als instrument om discussies te beslechten en te depolitiseren. ‘Evidence’ is daarmee niet alleen een bron van kennis, maar vooral ook een bestuurlijk en politiek instrument.
De omgang met het instrumentarium, de onderzoeksuitkomsten, blijkt in de praktijk lang niet altijd zorgvuldig. Verwijzingen zijn selectief, oppervlakkig of sterk gericht op cijfers, terwijl reflectie op concepten, de vraagstelling, doelen, methoden, context en beperkingen veelal ontbreekt. Daardoor kan onderzoek de schijn van objectieve noodzaak oproepen, terwijl onderliggende keuzes, nuanceringen en afwegingen juist buiten beeld blijven.
Het essay is geschreven als studie ten behoeve van het advies Leren van onderzoek van de Onderwijsraad.