Maatschappelijke onrust en ongenoegen zijn geen nieuwe verschijnselen in Nederland, maar hun aard en dynamiek zijn de afgelopen jaren ingrijpend veranderd. Overheden bevinden zich daarbij steeds vaker in een lastige positie. Zij moeten en willen ruimte bieden aan democratische tegenspraak en tegelijkertijd voorkomen dat spanningen escaleren tot onrust die de veiligheid, bestuurlijke stabiliteit en maatschappelijke samenhang onder druk zet.
In dit essay onderzoeken auteurs Wiljan Hendrikx, Andrea Frankowksi, Edwin Kaats, Hasna el Morabit en Martin Schulz hoe het programma Maatschappelijke Onrust en Ongenoegen (MO) en het Ondersteuningsnetwerk Maatschappelijke Onrust (OMO) zich de afgelopen jaren hebben ontwikkeld.
Het essay maakt zichtbaar hoe het programma heeft bijgedragen aan ondersteuning, duiding en kennisdeling, maar ook hoe de spanning tussen centrale sturing en lokale actie telkens terugkeert. Daarmee biedt het programma inspiratie voor andere opgaven waar geworsteld wordt met de vraag hoe je structuur organiseert zonder de nodige ‘beweging’ in een netwerk te verliezen.